ledental

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • le·den·tal
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ledental ledentallen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ledental o

  1. het aantal leden die aangesloten zijn bij een organisatie
    • Het ledental van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKV) is vorig jaar opnieuw gedaald, met ruim 400. 

Gangbaarheid