inschatten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·schat·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inschatten
schatte in
ingeschat
zwak -t volledig

Werkwoord

inschatten [2]

  1. overgankelijk beoordelen, ramen
     Ik begon afstand in de verschillende geluiden te herkennen en ik kon steeds beter inschatten hoe ver ze van me vandaan waren.[3]
     Het was moeilijk in te schatten hoe lang we nog onderweg zouden zijn en dus stalde iedereen zijn eten op de grond uit om te zien hoeveel er nog over was.[3]
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
inschatten

inschatten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van inschatten
    • ...dat wij inschatten. 
    • ...dat jullie inschatten. 
    • ...dat zij inschatten. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. inschatten op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. 3,0 3,1 Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be