ijsklont

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·klont
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsklont ijsklonten
verkleinwoord ijsklontje ijsklontjes

Zelfstandig naamwoord

ijsklont v/m

  1. stuk ijs
    • Hij gooit een ijsklontje in zijn limonade. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be