ijsblok

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ijs·blok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ijsblok ijsblokken
verkleinwoord ijsblokje ijsblokjes

Zelfstandig naamwoord

ijsblok o

  1. een brok ijs
    • Hij doet altijd ijsblokjes in zijn water om het koud te maken. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be