grenzeloosheid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gren·ze·loos·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord grenzeloosheid grenzeloosheden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

grenzeloosheid v

  1. het grenzeloos zijn
    • De grenzeloosheid van zijn vertrouwen in zijn vrouw bleek gebaseerd op pure liefde en niet op de werkelijkheid. 
Synoniemen
  1. oneindigheid

Gangbaarheid