Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • get·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • get met de uitgang -en

Zelfstandig naamwoord

getten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord get
    «Hij droeg lederen getten, een grijze regenjas en een hoed.[2]»
    slobkousen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen