geregel


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·re·gel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geregel
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geregel o

  1. het aanhoudend organiseren; het aanhoudend bedisselen
    • In de drukke tijden is Adri minstens 6 uur per week kwijt aan geregel. Van een drempel die de gemeente niet wil verwijderen, tot een rolstoel die na 15 jaar terugmoet omdat oma onder een andere zorgwet valt. Adri: ,,Denk vooraf na over praktische zaken. Heeft de mantelzorgwoning een eigen opgang? En wie springt bij als je op vakantie wil?” [1] 
    • Maar zorgverlof regelen op het werk gaat vaak niet van harte. ,,Als ouder ben je afhankelijk van de goodwill van de werkgever. Er zijn er zeker die meedenken en de werknemer vrij geven of ziek melden, maar dat is niet altijd het geval. Het is natuurlijk geweldig als collega’s hun uren of dagen doneren, maar ook dat kan niet altijd. Veel ouders moeten langdurig onbetaald verlof opnemen. Het is een heel geregel waar je op zo'n moment niet op zit te wachten. Sommige mensen zien zich genoodzaakt om dan maar ontslag te nemen en later wel verder te zien.’’ [2] 
    • Rob Aarninkhof, die naast te twee pop-up stores zijn eigen winkel heeft, ontdekte de inbraken op donderdagochtend. “Gelukkig zijn ze bij mij alleen in de etalage geweest en niet in de winkel. Het blijft natuurlijk heel vervelend en brengt naast de schade ook veel werk en geregel met zich mee. Ik hoop dat het uitloven van een beloning wat oplevert." [3] 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
75 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen