geneurie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·neu·rie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geneurie
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

geneurie o [1]

  1. het aanhoudend op voortdurend neuriën
    • Gelukkig heeft zijn geneurie wel meestal een goede invloed op zijn omgeving. "Mensen worden er zelf ook wel vrolijk van als ik weer eens zit te zingen." Al is niet iedereen gecharmeerd van zijn behoefte om altijd geluid te produceren. [2] 
    • In het prilste begin van haar solocarrière, lang voordat de wereld wist waar ze mee bezig was, liet ze haar moeder eens een demo horen. "Ik geloof dat het een stukje van het nummer Judaskus was, alleen wat muziek en mijn geneurie van wat later de melodie moest worden." [3] 
    • Achter zijn speen brengt hij een mengsel van geneurie, gemompel en zacht gekreun voort, terwijl hij de trap naar boven bedwingt. [4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders;
52 % van de Vlamingen.[5]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia E. Kramp 12 januari 2017 Guido Spek is geen seconde stil: Het kostte me mijn baan
  3. Tubantia M. van Leeuwen 28 augustus 2017 Roxeanne Hazes: Uit de schaduw van papa
  4. Heijden, A.F.T. van der "Tonio" (2011) ISBN 9789023459545 p. 591
  5.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be