escorte

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • es·cor·te
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gewapend geleide’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1592 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord escorte escortes
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

escorte o

  1. gewapende geleide
     En omgekeerd zouden onze ouders als escorte en bescherming fungeren wanneer de Amerikaanse bommenwerpers opstegen vanaf het vliegveld Gardermoen in Noorwegen op weg naar verschillende doelen in de Sovjet-Unie.[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen