• Afgeleid van het Proto-West-Germaanse *dani

denn o

  1. den, hol


  • denn

denn

  1. dan ook, omdat, want
    «Max geht es schlecht, denn er hat einen ganzen Kuchen gegessen.»
    Max voelt zich niet lekker, hij had dan ook een hele taart opgegeten.
  2. dan; ter vervanging van als, om als als te verkomen
    «Rousseau ist als Schriftsteller viel bekannter denn als Musiker.»
    Rousseau is als schrijver veel bekender dan als muzikant.
  1. weil, da
  2. als

denn

  1. dan; een woord zonder duidelijke betekenis
    «Wo bleibt er denn
    Waar blijft hij dan?


denn

  1. dun, slank


denn

  1. omdat
  2. wanneer