clanlid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • clan·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord clanlid clanleden
verkleinwoord clanlidje clanlidjes

Zelfstandig naamwoord

clanlid o

  1. lid van een clan

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be