Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cen·tra

Zelfstandig naamwoord

centra mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord centrum
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Frans

Werkwoord

vervoeging van
centrer

centra

  1. derde persoon enkelvoud verleden tijd (passé simple) van centrer


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
centrar

centra

  1. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van centrar
  2. gebiedende wijs (bevestigend) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van centrar


Tsjechisch

Uitspraak
  • IPA: /tsɛntra/

Zelfstandig naamwoord

centra

  1. genitief enkelvoud van centrum
  2. nominatief meervoud van centrum
  3. accusatief meervoud van centrum
  4. vocatief meervoud van centrum

Zelfstandig naamwoord

centra

  1. genitief enkelvoud van centr
  2. accusatief meervoud van centr