buurkind


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • buur·kind
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buurkind buurkinderen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

buurkind o [1]

  1. kinderen die naast je wonen
    • Een 46-jarige man is woensdag aangehouden, omdat hij een buurkind in het gezicht had geslagen. [2] 
    • De charlatan hield praktijk aan huis en overtuigde de buurt ervan dat hij arts was. Hij schreef een buurkind van negen met nekpijn een onduidelijk drankje voor. De ouders van twee andere kinderen van twee en vier kregen medicijnen mee voor dezelfde kwaal. Geen van de patiëntjes lijkt aan de onbekende middelen iets te hebben overgehouden. [3] 
    • Burenruzies gaan nooit om alleen maar een wasrekje waarvan de pootjes over een gemeenschappelijke schutting te zien zijn. Ze zijn een opeenstapeling van die pootjes, van buurkinderen die via de trampoline in je tuin loeren, van een buurkat die in je bakken kakt en van de afzuigkap van de buuf die curry-, frituur- en kooldampen je slaapkamer in blaast. [4] 
    • Jaloers was ik als ik ’de buurkinderen Smals’ met hun ouders zag terugkeren van een weekje Zuid-Frankrijk: glimmend donkerbruin waren ze. Chocoladebruine ruggen en schouders, bijna zwart. [5] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 17-05-10 Buurkind geslagen
  3. Reformatorisch Dagblad 18-04-2016 Kwakzalver gaf Duitse kinderen medicijnen
  4. De Telegraaf ELLA VERMEULEN 25 sep. 2016 'Help! Ik heb een horrorbuurvrouw'
  5. De Telegraaf RENÉ STEENHORST 03 jul. 2018 Plakjes zonkomkommer
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be