buslading

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bus·la·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buslading busladingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

buslading v [1]

  1. een groep mensen die samen in een autobus zitten
    • „We slaan echt helemaal door en het ergste is dat dat gebeurt door een handjevol mensen die het land de les wil lezen. Net als bij Zwarte Piet is het slechts een buslading vol tegenstanders en die krijgen het voor elkaar dat er zo’n tweedeling ontstaat.”[2] 
    • „Wat stelde dat mediaspektakel nou voor?”, wierp Pechtold over de demonstratie op. Hij stelde dat de PVV’er had gezegd dat er tienduizend mensen op de manifestatie zouden afkomen en dat dat vandaag helemaal niet gebeurde. „Het waren busladingen vol Belgen, media en foute clubs als Pegida en Voorpost.” Hij zei verder dat Wilders ’te laf is’ om in Amsterdam mee te doen aan de lokale verkiezingen.[3] 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf RENÉ VAN ZWIETEN 07 feb. 2018
  3. de Telegraaf 20 jan. 2018
  4.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be