botanica

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ta·ni·ca
enkelvoud meervoud
naamwoord botanica botanica's
botanicae
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

botanica v

  1. (beroep) vrouwelijke vorm van botanicus
Vertalingen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be