bosbouwkundige

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bos·bouw·kun·di·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bosbouwkundige bosbouwkundigen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bosbouwkundige m/v

  1. (beroep) iemand die aanleg en beheer van bossen bestudeert
    • Van tevoren hadden we de verwachting dat er een soort chemie zou ontstaan, door al die vakmensen bij elkaar, van sociaal-geograaf tot politicoloog en bosbouwkundige. [1]

Bijvoeglijk naamwoord

bosbouwkundige

  1. verbogen vorm van de stellende trap van bosbouwkundig
    • Hoewel deskundigen vraagtekens hebben geplaatst bij zowel de financiële als de bosbouwkundige onderbouwing van zijn plantage in Ghana, zegt Von Berg zich vooral te laten leiden door zijn liefde voor het milieu. [2]

Gangbaarheid

Verwijzingen