bilocatie

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bi·lo·ca·tie
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bilocatie bilocaties
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bilocatie v [2]

  1. (gelijktijdige) aanwezigheid op twee plaatsen
Vertalingen

Gangbaarheid

38 % van de Nederlanders;
61 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen