bezingen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zin·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bezingen
bezong
bezongen
klasse 3 volledig

Werkwoord

bezingen

  1. overgankelijk over een bepaald onderwerp zingen
    • Daarin werd de schoonheid van de Alpen bezongen. 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be