bezongen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·zon·gen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
bezingen

bezongen

  1. meervoud verleden tijd van bezingen
    • Wij bezongen. 
    • Jullie bezongen. 
    • Zij bezongen. 
  2. voltooid deelwoord van bezingen