appoggiare

Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • ap·pog·gia·re

Werkwoord

appoggiare overgankelijk

  1. leggen, zetten, leunen, laten rusten
    «appoggiare la bici contro il muro»
    de fiets tegen de muur zetten
  2. (figuurlijk) ondersteunen, steunen