altemaal


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·te·maal
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

altemaal [1]

  1. allen te zamen
  2. volkomen

Gangbaarheid

20 % van de Nederlanders;
21 % van de Vlamingen.[2]


Verwijzingen