• af·wen·te·ling
enkelvoud meervoud
naamwoord afwenteling afwentelingen
verkleinwoord

de afwentelingv

  1. de keer dat men een last doorschuift op iemand of iets anders
     Stelpstra zegt "zeer ontstemd" te zijn. Hij vreest dat het ministerie de NAM nu daadwerkelijk toestemming gaat geven om dat kussengas te winnen. De gaskraan iets noordelijker - in het Groningenveld - wordt dichtgedraaid en zeker in het geval van een koude winter is de behoefte aan gas uit kleine gasvelden groot. "De sluiting van het Groningengasveld mag niet leiden tot afwenteling naar Drenthe", aldus Stelpstra in de brief.[2]


  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron “Drenthe vreest 'seismisch risico' door gaswinning bij Norg” (Zaterdag 27 november 2021, 15:21), NOS