aangestoken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ge·sto·ken
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen aangestoken
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

aangestoken

  1. met een begin van rotting
    • Bij voor winterprovisie opgeslagen appels en peren kunnen aangestoken exemplaren het gave fruit aansteken. 
  2. besmet
    • De aangestoken kinderen kregen nu ook de mazelen. 

Werkwoord

vervoeging van: aansteken…
verbogen vorm: aangestokene

aangestoken

  1. voltooid deelwoord van aansteken

Gangbaarheid