Assembleelid

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • As·sem·blee·lid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord Assembleelid Assembleeleden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

Assembleelid o

  1. (politiek) iemand die lid is van een parlement of algemene vergadering
     Het onderwerp 'dubbele nationaliteit' ligt gevoelig in Suriname. "Het antikoloniale sentiment heeft jarenlang een wetswijziging tegengehouden. Het was assembleelid Melvin Bouva van de regeringspartij NDP die de dubbele nationaliteit weer eens aankaartte, maar de oppositie was er sneller bij en diende het wetsontwerp in", vertelt Krishnadath.[1]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Harmen Boerboom “Het is nu menens. Suriname wil naar WK 2018” (29-12-2014), NOS