• 98-·ja·ri·ge

98-jarige

  1. verbogen vorm van de stellende trap van 98-jarig
    • De vulkaan werd weer actief na een 98-jarige periode zonder uitbarstingen. 
enkelvoud meervoud
naamwoord 98-jarige 98-jarigen
verkleinwoord

de 98-jarigev / m

  1. persoon die 98 jaar oud is of iets dat 98 jaar bestaat
    • De 98-jarige heeft zijn vijf jaar jongere echtgenote tijdens zijn studie in Deventer leren kennen.