ἵστημι

Oudgrieks

stamtijd
praesens aoristus perfectum futurum
actief ἵστημι ἔστησα ἕστακα στήσω
med/pass. ἐστησάμην ἕσταμαι
Uitspraak
  • IPA: /hístɛːmi/

Werkwoord

ἵστημι

  1. staan, doen staan, (neer)zetten
  2. stellen
  3. oprichten
  4. (alleen presens medium indicatief) gaan staan, blijven staan