Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwoor

Werkwoord

vervoeging van
zweren

zwoor

  1. enkelvoud verleden tijd van zweren
    • Ik zwoor. 
    • Jij zwoor. 
    • Hij, zij, het zwoor. 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

59 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be