voortbewegen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • voort·be·we·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
voortbewegen
bewoog voort
voortbewogen
klasse 2 volledig

Werkwoord

voortbewegen

  1. wederkerend zich verplaatsen, in beweging zijn
    • De slang bewoog zich met zijdelingse kronkels bliksemsnel voort over het zand. 
     Terwijl ik liep voelde het alsof ik zweefde en neerkeek op mijn lichaam dat zich moeiteloos voortbewoog.[1]
  2. overgankelijk aandrijven, doen bewegen
    • Het uurwerk wordt voortbewogen door middel van opgetrokken gewichten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be