vervanger

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·van·ger
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van de werkwoordstam van vervangen met het achtervoegsel -er
enkelvoud meervoud
naamwoord vervanger vervangers
verkleinwoord vervangertje vervangertjes

Zelfstandig naamwoord

vervanger m

  1. iemand/iets die in de plaats van iemand/iets anders
Hyponiemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be