vernauwen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·nau·wen
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van nauw met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vernauwen
vernauwde
vernauwd
zwak -d volledig

Werkwoord

vernauwen

  1. overgankelijk minder wijd maken
    • De broekspijpen werden wat vernauwd. 
  2. wederkerend zich ~: nauwer worden
    • Het pad vernauwde zich een aantal malen tot het niet meer dan een voet breed was. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be