vandaar

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • van·daar
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

vandaar

  1. vanuit die plek
    • Hij reed naar Rotterdam en nam vandaar de trein. 
  2. duidt een causaal verband aan met een voorafgaande zinsnede
    • Hij had vreselijke haast. Vandaar die bon. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be