Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·meer
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

temeer

  1. in heftiger mate, vooral ook
    • De rechter oordeelde in het nadeel van Hyperion, zodat dr. Sawkins een aanzienlijke vergoeding werd toegezegd, die voor het veeleer bescheiden label een zware belasting inhield, temeer daar het eveneens voor de rechtskosten en procedures moest opdraaien, die tegen het miljoen pond bedroegen. 
    • De leraar geloofde niet in de ziekte van de leerling, temeer daar hij hem gisteren nog had zien voetballen. 
     In onze tijd bestaat er een toenemende belangstelling, zowel voor de folklore als voor de achtergrond en de inhoud van de feesten. Temeer als die beleefd kunnen worden door het hele gezin en de hele groep, jong of oud.[1]

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Marijke van Raephorst   “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), p. 7
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be