smashen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sma·shen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van smash met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
smashen
smashte
gesmasht
zwak -t volledig

Werkwoord

smashen

  1. overgankelijk, (sport) het slaan van een smash

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be