sleep aan

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sleep aan
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
aanslepen

sleep aan

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanslepen
    • Ik sleep aan. 
  2. gebiedende wijs van aanslepen
    • Sleep aan! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanslepen
    • Sleep je aan? 


vervoeging van
aanslijpen

sleep aan

  1. enkelvoud verleden tijd van aanslijpen
    • Ik sleep aan. 
    • Jij sleep aan. 
    • Hij, zij, het sleep aan. 


Gangbaarheid