• plag
  • In de betekenis van ‘zode’ voor het eerst aangetroffen in 1377 [1]
  • Uit het Middelnederlands plagge uit het Middelnederduits plagge, waarschijnlijk verwant met flagge en vlagge [2].
enkelvoud meervoud
naamwoord plag plaggen
verkleinwoord - -

de plagv / m

  1. een afgestoken zode van een heideveld
    • Vroeger werden er met plaggen hutten gebouwd. 
vervoeging van
plaggen

plag

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaggen
    • Ik plag. 
  2. gebiedende wijs van plaggen
    • Plag! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van plaggen
    • Plag je? 
75 % van de Nederlanders;
37 % van de Vlamingen.[3]