ontvaren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·va·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontvaren
ontvaarde
ontvoer
ontvaren
klasse 6

gemengd zwak -d

volledig

Werkwoord

ontvaren [1]

  1. ontsnappen, ontvlieden

Gangbaarheid

45 % van de Nederlanders;
44 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen