• lum·me·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
lummelen
lummelde
gelummeld
zwak -d volledig

lummelen

  1. inergatief een tijd luiachtig doorbrengen
  2. inergatief (spel) een spel waarbij mensen in een rondje staan en een voorwerp (meestal een bal) naar elkaar gooien, terwijl iemand in het midden van het rondje (de lummel) probeert het voorwerp te onderscheppen
99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]
  1. lummel op etymologiebank.nl
  2.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be