• Ontleend aan het Oudnoordse bijvoeglijke naamwoord lítill, dat van het Protogermaanse woord *lītilaz komt
stellend vergrotend overtreffend
lítill minni minnstur
alle verbuigingsvormen

lítill

  1. gering, klein, kort, onbelangrijk, weinig
  • lítill kaffibolli
  • lítill karl
  • lítill skaftpottur
  • lítill skæruliði
een kleine kwelgeest