inslijten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·slij·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
inslijten
sleet in
ingesleten
klasse 1 volledig

Werkwoord

inslijten [1]

  1. onovergankelijk materiaalverlies veroorzaken door aanhoudende wrijving over dezelfde plaats
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
78 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen