• iet
  • In de betekenis van ‘een of ander ding’ voor het eerst aangetroffen in 1201-25.[1]
  • Middelnederlands iet, gesyncopeerd uit het oudere iewet, uit Oudnederlands iowiht ‘iets’, samenstelling uit io- ‘om het even, onverschillig (wie, wat)’, oorspronkelijk ‘altijd, ooit’, en wiht ‘ding, wezen’, waarvoor zie ooit, wicht.[2] Evenzo samengesteld zijn Duits (vero.) icht, Fries eat ‘iets’ en Engels (vero.) aught ‘wat dan ook’.

iet

  1. (in België nog algemeen) iets: een onbepaalde of niet-gespecificeerde, stoffelijke of onstoffelijke zaak; een ongenoemd voorwerp
  • Als niet komt tot iet, kent iet zichzelve niet.
Als een onbelangrijk persoon plotseling een belangrijke plaats krijgt, weet hij zich daarin niet te redden.
  • Als niet komt tot iet, is 't allemans verdriet.
Als een onbelangrijk persoon plotseling een belangrijke plaats krijgt, heeft iedereen daaronder te lijden.
46 % van de Nederlanders;
37 % van de Vlamingen.[3]


enkelvoud meervoud
 iet   ietau 
 ietiau 

iet v

  1. poortje, hekje