hondenpoot


Nederlands

 
afdruk van een hondenpoot in een baksteen
Uitspraak
Woordafbreking
  • hon·den·poot
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hondenpoot hondenpoten
verkleinwoord hondenpootje hondenpootjes

Zelfstandig naamwoord

hondenpoot m

  1. één van de ledematen van een hond
    • De dierenarts wijst de beschuldiging van de hand. Volgens zijn advocaat heeft hij gedurende zijn 30-jarige loopbaan 'de levens van vele dieren gered'. Wel kreeg de arts in 2005 een voorwaardelijke schorsing opgelegd omdat hij een hondenpoot onjuist had behandeld. Destijds werd hij veroordeeld tot het volgen van verschillende bijscholingscursussen. [1] 
  2. het aanbieden van de voorpoot door een hond om die te schudden als groet aan een mens (zoals het handenschudden tussen mensen onderling)
    • De PVV-voorman toont begrip. In ruil krijgt hij een hondenpoot van Toby. „Toby, shake hands”, klinkt het commando. De zwarte labrador gehoorzaamd braaf. Hij krijgt twee dikke duimen omhoog van zijn bazinnetje. [2] 


Gangbaarheid


Verwijzingen