graswortel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gras·wor·tel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord graswortel graswortels
verkleinwoord grasworteltje grasworteltjes

Zelfstandig naamwoord

graswortel m [1]

  1. de wortels van kweekgras
    • Gewoonlijk ligt het veld van KV Mechelen er bijzonder goed bij. ‘Onze medewerkers hebben gedaan wat ze elk seizoen doen’, zo zegt Marc Faes, verantwoordelijke voor het stadion. ‘De graswortels worden echter aangetast door fusarium, een schimmelziekte. Door het vochtige weer duikt dit op.’[2] 
  2. (medisch) laxeermiddel
  3. de basis van een organisatie
    • In 1976, toen de PvdA nog een grote volkspartij was, sloot eerstejaarsstudent Van der Laan zich erbij aan en klom van de graswortels af omhoog in Amsterdam, te beginnen bij de Ombudspost Jan Pieter Heijestraat.[3] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 22/JULI/2014 door jvh
  3. NRC Bas Blokker 6 oktober 2017