gekoketteer


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·ko·ket·teer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gekoketteer
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gekoketteer o

  1. aanhoudend proberen bij iets of iemand in het gevlei te komen; aanhoudend flirten
     Niet meer het onnozele wicht uithangen, niet meer dat gekoketteer, niet dat beschroomde neerslaan van je ogen.[1]
     De onderliggende vraag intrigeert mij al jaren: Wat zijn de wezenlijke belangen (13*) die ten grondslag liggen aan de politieke keuzes die werden en worden gemaakt, zij het niet altijd door de partij als zodanig als wel binnen de achterban. ”Eigen volk eerst”, waar hebben we dat eerder gehoord? Het gekoketteer met nationale symbolen als de kleur oranje en een vlag in de vergaderzaal. De idolatrie rond het koningshuis en hun verwanten op andere Europese tronen. Het sterke accent op het liberale marktdenken, bijna alsof de ”invisible hand” (onzichtbare hand) een morele, Bijbelse dimensie betreft.[2]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Boris Pasternak (vert. Margriet Berg en Marja Wiebes) “Dokter Zjivago” (1957), G.A. van Oorschot  , ISBN 9789028261396
  2.   Weblink bron Mr. Dirk Vergunst “SGP is populistische partij” (2 november 2018), Reformatorisch Dagblad