ditmaal

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dit·maal
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

ditmaal

  1. bij deze gelegenheid
    • Hij is ditmaal eens wat rustiger. 
     Ik was altijd gewend in de bergen hoge, leren bergschoenen te dragen maar ditmaal had ik gekozen voor lage trailrunner schoenen die erg licht waren en snel droogden.[1]

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  2.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be