enkelvoud meervoud
m v o m/v/o
nominatief dese dese dit dese
genitief des derre des derre
datief desen derre desen desen
accusatief desen dese dit dese

derre

  1. v genitief (van) deze, (dezer)
    «Doen wort die weduwe gram
    Ende seide:'Ghi dunct mi reven!
    Derre talen selde begheven.'»[1]
    Toen werd de weduwe boos
    En zei " Je praat onzin, lijkt me
    Dit soort taal zul je nalaten."
  2. v datief (aan) deze
    «Doemen Brune vernam
    In derre wijs van verre comen,
    Wart ghetwifelt van hem zomen,
    Wat daer quam ghewentelt zoe.»[2]
    Toen men van Bruin vernam
    dat hij op deze wijze van verre kwam
    werd er door sommigen van hen aan getwijfeld
    wat daar zo aan kwam rollen
  3. mv genitief (van) deze, (dezer)
    «Derre beesten sijn vele in Ircane.»[3]
    Van deze dieren zijn er veel in Hyrcanië.
  1.   Weblink bron “Beatrijs” (1360-1380)
  2.   Weblink bron “Vanden Vos Reynaerde” (13e eeuw)
  3.   Weblink bron “Der Naturen Bloeme” (13e eeuw)