derangeren

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·ran·ge·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘storen’ voor het eerst aangetroffen in 1789 [1]
  • afgeleid van het Franse déranger (met het voorvoegsel de- en met het achtervoegsel -eren)
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
derangeren
derangeerde
gederangeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

derangeren

  1. overgankelijk storen, hinderen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen