Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dam·de af
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

vervoeging van
afdammen

damde af

  1. enkelvoud verleden tijd van afdammen
    • Ik damde af. 
    • Jij damde af. 
    • Hij, zij, het damde af. 


Gangbaarheid