corrector

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • cor·rec·tor
Woordherkomst en -opbouw

Naamwoord van handeling van corrigeren (met het voorvoegsel cor-) met het achtervoegsel -or

enkelvoud meervoud
naamwoord corrector correctoren
correctors
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

corrector m [1]

  1. (beroep) iemand die drukproeven verbetert
Verwante begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen