consuminderen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • con·su·min·de·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘minder consumeren’ voor het eerst aangetroffen in 1899 [1]
  • Het woord is een neologisme en een woordspeling op het woord consumeren.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
consuminderen
consuminderde
geconsuminderd
zwak -d volledig

Werkwoord

consuminderen

  1. inergatief minder consumeren
    • Het wordt tijd dat er wat geconsuminderd gaat worden. 
     Mijn vrouw had vroeger een abonnement op de Vrekkenkrant (een tijdschrift dat een eenvoudige en zuinige levenswijze wilde promoten. ‘Consuminderen’ noemde men dat destijds).[2]

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen