algemeniteit


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·ge·me·ni·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord algemeniteit algemeniteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

algemeniteit v

  1. het algemeen-zijn
    • in z'n algemeniteit 
Synoniemen

Gangbaarheid

60 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be